PLEITNOTA/VERWEERSCHRIFT ZITTING 29 AUGUSTUS 2011

 


PLEITNOTA/VERWEERSCHRIFT

Geachte leden van de rechtbank,

Als mens sta ik hier bezwaard van gemoed. Als politicus heb ik er, na de aangifte op 7 december 2009, bijna 21 maanden naar uit gezien. Bijna twee jaar na mijn invulling van de door de wetgever, aan mij als raadslid van de gemeente Bergen op Zoom, opgedragen controlerende taak, door mij inhoud gegeven door het in het openbaar en transparant stellen van (60 plus 2) vragen, met als doel het controleren van het bestuur op de uitoefening/uitvoering van haar taken, sta ik hier om verantwoording af te leggen voor mijn handelen. Ik heb naar mijn gevoelen alle medewerking verleend aan het onderzoek en naar eer en geweten alle vragen, die de onderzoekende politiemedewerkers mij stelden, getracht te beantwoorden.

Beroep WOB
Dit raadslid heeft een lange traditie van het verzoeken tot inzage van dossiers met een beroep op WOB. Dit is voor mij een gewoonte geworden om er, naar ik dacht, zeker van te zijn dat, als ik naar aanleiding van een dossieronderzoek in het openbaar vragen zou gaan stellen of een standpunt zou gaan in nemen, ik uit alle stukken, die ik in het kader van een beroep op de WOB ingezien had, vrijelijk zou kunnen citeren. Voor mij is dit belangrijk omdat in de afgelopen 25 jaar gemeenten raadsleden steeds vaker bedelven onder geheime/vertrouwelijke informatie en die raadsleden daarmee dan feitelijk in de openbare uitoefening van hun ambt niets kunnen. In de 25 jaar van mijn raadslidmaatschap heb ik, in een maatschappij die steeds meer vraagt om openheid en transparantie, de politiek op gemeentelijk en provinciaal niveau achter de deuren van ‘besloten vergaderen’ zien verdwijnen. Ik heb getracht daar zo min mogelijk aan mee te doen. Zo heb ik al meer dan 20 jaar niet deelgenomen aan de selectiecommissies voor een nieuwe burgemeester. Toen ik meer dan 25 jaar geleden begon als raadslid was er gemiddeld één besloten raadsvergadering per jaar (om te bepalen wie in aanmerking kwamen voor het ereburgerschap) nu zijn er jaren bij dat meer dan 10 keer besloten wordt vergaderd.
Dus ook voordat ik het (mondelinge) verzoek tot inzage in de dossiers van de Bergse Haven deed, heb ik geregeld een beroep gedaan op de WOB en inzage gevraagd in gemeentelijke dossiers, voorbeelden van de laatste jaren:
– 28 juni 2006 inzake gebruiksvergunningen,
– 23 augustus 2007 inzake aanbestedingen van onderhoud,
– 8 januari 2008 inzake onderwijshuisvesting,
– 15 maart 2008 inzake aanbesteding werken,
– 12 mei 2008 inzake advisering buitengebied.

Dit waren schriftelijke verzoeken, omdat de reden van het verzoek niet lag in een raads- of commissievergadering, maar in een initiatief van buiten.

Naar aanleiding van een gemeentelijke presentatie heb ik, met een beroep op de WOB, diezelfde avond een verzoek tot inzage in de dossiers van de Bergse Haven gevraagd.
Naar aanleiding van mijn verzoek tot inzage van de dossiers van de Bergse Haven heb ik op 15 juli 2009 een gesprek gehad met de gemeentesecretaris en een aantal ambtenaren met als doel het maken van afspraken inzake het onderzoek.
Op 17 juli 2009 ontving ik een email van de heer Ruud Quispel met een bijlage genaamd: werkwijze, met als kopje: “Afspraken ter behandeling van het verzoek van raadslid L. v/d Kallen tot inzage dossiers Bergse Haven.”, (pagina 99/100 van de stukken)
Ik mocht er zondermeer van uitgaan dat deze email en de daaraan verbonden bijlage de weerslag was van de afspraken die op 15 juli 2009 in het gesprek met mij waren gemaakt. De heer Quispel was bij dat gesprek immers aanwezig. Alle direct betrokkenen (zijnde de gemeentesecretaris en betrokken ambtenaren) hadden een kopie van deze ‘afspraken’ ontvangen en waren allen volgens de heer Quispel ‘door hem ook persoonlijk geïnformeerd’.
Ik wil daarbij benadrukken dat als punt 2 onder werkwijze is vermeld: “De dossiers worden ter controle voorgelegd aan het aanspreekpunt RO. (Controle: is het dossier compleet en voldoet het aan de eisen van de WOB?)”. Het aanspreekpunt RO is in dit stuk aangeduid als mevrouw Caroline Jacobs, een juriste!
Omdat deze mail met bijlage niet in de daarna volgende weken is herroepen of aangepast, mocht ik dus veronderstellen dat dit de afspraken waren, zoals gemaakt in de bijeenkomst op 15 juli 2009. Mocht dit, naar de beleving van de andere gesprekspartners of betrokkenen, niet het geval zijn geweest, dan had het op hun weg gelegen mij te informeren over hun perceptie van de gemaakte afspraken op 15 juli 2009. Ik mocht dus aannemen dat conform de aangegeven werkwijze gehandeld zou worden en dat alle dossiers die ik kreeg getoetst zouden zijn (door mevrouw Jacobs of haar vervanger) op de vereisten van de WOB. Door de vele hiaten in de dossiers (zie ook vele vragen zoals gesteld op 21 september 2009 betreffende ontbrekende stukken) heb ik nimmer de indruk gekregen dat geen toetsing aan de WOB heeft plaatsgevonden. Mede door punt 3 van de werkwijze (mutaties in het dossier verwerken), mocht ik aannemen dat delen van het dossier waren verwijderd in het kader van de controle op de vereisten van de WOB. Mocht bijvoorbeeld mevrouw Jacobs van mening zijn geweest dat die controle niet nodig was of niet behoorde tot haar taak, dan had het mede op haar weg gelegen mij in deze te waarschuwen of te informeren.
Pas per brief van 24 september 2009 werd ik op de hoogte gebracht van een besprekingsverslag van het gesprek op 15 juli 2009 met de gemeentesecretaris. Nimmer is dit verslag aan mij ter commentaar of goedkeuring voorgelegd. Ik voel mij tot op de dag van vandaag dan ook niet gebonden door het daarin gestelde. Wel bevat ook dat verslag de vermelding dat de dossiers gecontroleerd worden op “eventuele geheime stukken (bedrijfsgegevens)”. Voor mij een aanwijzing dat het de bedoeling was geheime stukken te verwijderen. Ik ging en mocht naar mijn mening er dan ook vanuit gaan dat mij uitsluitend stukken en dossiers zouden bereiken die openbaar waren of, gezien de aard en aanleiding van het onderzoek (een verlies van 40 à 50 miljoen euro) openbaar waren geworden.
Ondanks mijn aanname, dat ik uitsluitend dossiers zou krijgen die in het kader van de WOB ontdaan waren van geheime stukken, ben ik in het stellen van mijn vragen in openbaarheid in deze terughoudend geweest. In geen enkele vraag heb ik geciteerd uit een exploitatieopzet!
Ik heb 2 vragen, in eerste instantie, zonder openbaarmaking gesteld, omdat ik mij kon voorstellen dat derden bij openbaarmaking daar mogelijk baat bij zouden kunnen hebben. Toen mij echter na enige dagen bleek, dat deze gegevens allang bij derden/belanghebbenden bekend waren en zelfs door hen ingebracht waren in een procedure bij de Raad van State middels een Pleitnotitie d.d. 6 november 2007 (pagina 123/125 van de stukken) heb ik ook die twee vragen op mijn website geplaatst. De gegevens waren dus al lang in de praktijk openbaar en algemeen bekend en geen reden meer om in deze, bij de uitoefening van mijn publieke taak, terughoudend te zijn.

Gezien het voorgaande ben ik van mening dat ik mocht aannemen dat alle mij ter inzage gegeven documenten of dossiers openbaar waren of in het belang van het onderzoek openbaar waren geworden en dat er zeker geen sprake is van het opzettelijk door mij schenden van de geheimhoudingsplicht. Ik heb zelfs, ondanks de door mij vermeende openbaarheid, bij alle mij ter inzage gegeven documenten of dossiers de grootste terughoudendheid betracht om de belangen van de gemeente niet te schaden.
De aangifte beschouw ik dan ook als een politieke daad met als oogmerk mij als persoon en politicus te schaden en te knevelen. Feitelijk heeft dit mij na de aangifte ernstig beperkt in mijn functioneren als raadslid. Ik heb mij, met de kennis dat de gemeente een deel van de dossiers of documenten alsnog als geheim beschouwde zonder mij te informeren welke dossiers of documenten alsnog geheim zouden zijn (ook bij de politieverhoren werd mij niet duidelijk over welke documenten of dossiers dit ging), moeten beperken in mijn politiek functioneren. Ik betreur het dan ook zeer dat de behandeling van deze zaak zo lang op zich heeft laten wachten, omdat feitelijk, zolang er geen helderheid is, de kneveling voortduurt en daarmede de politieke behandeling en openbare verantwoording van betrokkenen deels is belemmerd en daarmee ook het leerproces van alle betrokkenen, hoe dit soort zaken te voorkomen, is beperkt.
Ik hoop dan ook dat u leden van de rechtbank in uw eventuele motivatie van uw vonnis aan kunt geven hoe een raadslid, die zijn controlerende taak serieus neemt, wel zekerheid kan verkrijgen omtrent de openbaarheid van stukken als zelfs met een beroep op de WOB hij niet de zekerheid verkrijgt dat alle stukken die hij dan ter inzage krijgt ook feitelijk openbaar zijn of zijn geworden en hij ze als zodanig ook in het openbaar mag gebruiken.

Dagvaarding
Recent heb ik kennis genomen van de dagvaarding en het mij ten lasten gelegde. Ik ben verbaasd over de breedte van het ten lasten gelegde. De inhoud van de dagvaarding komt op mij over als een schot hagel. Ik heb vragen gesteld, waarbij ik uitsluitend geciteerd heb uit stukken die mij, na een informatieverzoek met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB), hadden bereikt.

Nu de dagvaarding een breder bereik heeft, zal ik mij allereerst richten op het steeds terugkerende thema in de dagvaarding: ik zou ‘een geheim’ waarvan ik volgens de dagvaarding zou hebben geweten dat het geheim moest blijven, opzettelijk openbaar hebben gemaakt en daarmede de geheimhouding opzettelijk hebben geschonden.

Cruciaal in deze, in vele vormen herhaalde beschuldiging, is dat om een geheim te openbaren er een geheim moet zijn. Ik heb ernstige twijfels of er in de zin der wet bij de door mij geciteerde documenten ten tijde van het stellen van mijn vragen (21 september 2009) in de zin der wet geheime of vertrouwelijke documenten waren.

Het opleggen van geheimhouding is een beperking van een grondwettelijk recht (artikel 7 GW) op de vrijheid van meningsuiting. Ook artikel 10 van het Europees verdrag van de rechten van de mens borgt de vrijheid van meningsuiting en geeft daarbij een limitatieve opsomming van de mogelijkheden tot beperking van die rechten. Het komt er in mijn niet juridische benadering op neer dat, als een overheid de vrijheid van meningsuiting wil beperken, zij moet handelen naar de regels die daar toe gesteld zijn, die mede gericht zijn op het zoveel mogelijk borgen van de persoonlijke vrijheden en rechten van diegenen wiens vrijheden worden beperkt. Die regels zijn middels artikel 25 van de Gemeentewet door de wetgever vormgegeven. Die regelen zijn er om een al te lichtvaardige omgang met een beperking van een grondrecht te voorkomen.
Op grond van een belang zoals vernoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) mag het college van B&W of een commissie geheimhouding opleggen (artikel 25 gemeentewet lid 2). Ik erken dat dit ten aanzien van enkele stukken en enkele vergaderingen is gebeurd. Hierbij is in het laatste geval aan het einde van een vergadering aangegeven wat uit die vergadering geacht werd geheim te zijn.
Maar in het licht van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, heeft de wetgever in zijn wijsheid ook artikel 25 lid 3 opgenomen:
“De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan de raad overlegde stukken vervalt, indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.”
Bij geen der stukken die ik, als raadslid, heb geciteerd, noch ten aanzien van de besloten vergaderingen die ik heb bijgewoond is ooit een door het college of commissie opgelegde geheimhouding t/m 2009 door de gemeenteraad bekrachtigd!
De motivatie van de wettelijke verplichting tot bekrachtiging is, dat de gemeenteraad dan in het openbaar de noodzaak van de geheimhouding kan toetsen aan de in artikel 10 van de WOB gegeven redenen en dat over de noodzaak dan een openbaar debat heeft plaats kunnen vinden en daarmede geborgd kan worden dat de beperking van het grondrecht niet lichtvaardig plaatsvindt.
Mijn interpretatie van artikel 25 lid 3 is dan ook dat de eventueel opgelegde geheimhoudingen allen, ten tijde van het stellen van mijn vragen, van rechtswege waren vervallen omdat in geen der gevallen bekrachtiging door de gemeenteraad van de opgelegde geheimhoudingen heeft plaatsgevonden. Kortom: er waren in de zin der wet geen geheimen meer die ik kon openbaren.

Opmerkingen naar aanleiding van de dagvaarding.

– Ik ben mij niet bewust dat ik in mijn vragen of publicaties uit andere bronnen heb geput dan uit de documenten die mij met een beroep op de WOB ter beschikking zijn gesteld.
– Niet alles wat in een besloten vergadering wordt gezegd is per definitie vertrouwelijk. Hoewel de afspraak was dat de rekenkamercommissie, die zich zelf overigens Rekenkamer noemt, uiterlijk op 31 augustus 2009 haar rapportage zou afronden, kwam deze rekenkamercommissie op 21 september 2009 met de mededeling van een verdere vertraging. De redenen hiervoor zouden zijn dat de contactambtenaar van de gemeente ziek was en zij bepaalde documenten (de notulen van de aandeelhoudersvergadering) niet kreeg van de GEM (de gemeentelijk exploitatiemaatschappij), terwijl die notulen ook beschikbaar zijn in de gemeentelijke archieven van de mede-aandeelhouder (de gemeente Bergen op Zoom). Vanuit deze vergadering komende heb ik mijn vragen gesteld met de politieke motivatie dat deze vertraging met die argumenten voor de BSD-fractie niet langer acceptabel was. Die argumenten zijn, naar mijn gevoelen, op geen enkele wijze te passen in een beroep op geheimhouding, waarvan de basis zou moeten zijn artikel 10 van de WOB.
In de dagvaarding wordt verwezen naar de bijeenkomst met de rekenkamercommissie op 21 september 2009. Te uwer informatie breng ik hierbij als bijlage in de presentatie van die avond. De inhoud van de presentatie ging alleen over gang van zaken rond het
onderzoek niet over inhoudelijke aspecten de Bergse Haven betreffende. Ik heb, behoudens de argumenten van de rekenkamercommissie de vertraging betreffende, hieruit op geen enkele wijze geciteerd.
– Reeds eerder in mijn betoog heb ik aangegeven dat het verslag van 15 juli 2009, dat mij pas op 24 september 2009 werd toegezonden, nimmer aan mij voor commentaar of goedkeuring is voorgelegd en ik voel mij tot op de dag van vandaag daar dan ook niet aan gebonden. Ik wil niet ontkennen dat het voorleggen van bevindingen voor ambtelijke en of bestuurlijke toetsing aan de orde is geweest. Maar wel in de vorm van een ‘nota van bevindingen’ en voor “hoor en wederhoor”, bij onderzoeken de gewoonste zaak van de wereld. Een afspraak in deze is dan ook niet nodig. Maar een ‘nota van bevindingen’ is volstrekt iets anders dan het stellen van vragen, die juist uiteindelijk moeten leiden tot een ‘nota van bevindingen’.
Een onderzoek kent een aantal fasen, te weten:
– dossieronderzoek
– interviews
– (schriftelijke) vraag- en antwoord ronden
– het maken van een concept ‘nota van bevindingen’
– ambtelijke toetsing van de concept ‘nota van bevindingen’ (hoor en wederhoor)
– opstellen ‘nota van bevindingen’
– bestuurlijke toetsing van de ‘nota van bevindingen’
– formuleren van conclusies en aanbevelingen op basis van de ‘nota van bevindingen’, enz.
Mijn op 21 september 2009 gestelde vragen zijn in de verste verte geen bevindingen. Ze beoogden ooit tot bevindingen te komen. Het vergt de nodige fantasie, en mogelijk ambtelijke schaamte naar aanleiding van het eigen disfunctioneren door het gebrek van een deugdelijke toetsing op de vereisten van artikel 10 van de WOB van de aan mij ter inzage gestelde dossiers, om in mijn vragen bevindingen te willen lezen.
– Zowel de gemeente, in haar brief d.d. 24 september, als het OM, in de dagvaarding, hebben vermeld dat ik vóór een eventuele publicatie, met het oog op ‘vertrouwelijke of geheime informatie’, zaken zou voorleggen aan de gemeentelijke organisatie, dit met een verwijzing naar het verslag (pagina 33 en 103). Noch de afspraken volgens Quispel, noch het besprekingsverslag van de griffier van 15 juli 2009 vermelden iets dergelijks (pagina 100 en 103). In dat laatste wordt uitsluitend gesproken over het voorleggen voor ‘hoor en wederhoor’! Niets over het voorleggen met het oog op geheime of vertrouwelijke stukken. Logisch toch, die zouden er immers uitgehaald worden! ‘Hoor en wederhoor’ heeft normaliter betrekking op een nota van bevindingen of de conclusies. ‘Hoor en wederhoor’ toepassen op vragen die een raadslid stelt in het kader van een onderzoek naar ambtelijk of bestuurlijk functioneren, komt mij buitengewoon vreemd voor. Aan degenen, die ik geacht wordt te controleren, vragen of de vragen wel goed zijn of gesteld mogen worden, is zeker niet mijn stijl! Dit is zeker niet mijn gewoonte. Het OM of de politie gaat toch ook niet aan een verdachte vragen of zij een vraag wel mogen stellen? Vragen dienen door de te controleren personen of organisatie beantwoord te worden. Niet meer en niet minder.
– Tot slot iets over de vermelding in de dagvaarding dat ik afgesproken zou hebben eventuele standpunten vóór publicatie voor te leggen aan de gemeentelijk organisatie. Een dergelijke afspraak zou ik nooit maken of toezeggen. Iets dergelijks beweren is absurd, lachwekkend en een directe belediging. Ik ben een onafhankelijk raadslid en een ieder die mij kent zal zich terecht niet voor kunnen stellen dat ik, Ludovicus Hermanus van der Kallen, een dergelijke afspraak zou maken of er zelfs maar over na zou denken. Een dergelijke afspraak is ook in strijd met het door de wetgever gewenste en vorm gegeven in het duale karakter van het gemeentebestuur. Een zichzelf respecterend raadslid, en dat claim ik te zijn, zou zo’n afspraak nooit en te nimmer maken. Nu dit wel in de dagvaarding is gekomen, zegt dat eerder iets over diegenen die dit beweren, dan over mij, die als verdachte hier voor u staat.

Resumerend: Ik acht mij onschuldig aan alles wat mij ten laste is gelegd. Ik heb gehandeld binnen de kaders van de door de wetgever aan mij als volksvertegenwoordiger gegeven opdracht tot controle van het openbaar bestuur, zulks met inachtneming van alle voorzorgen die ik als eenvoudig raadslid kan nemen door o.a. een beroep te doen op de WOB en daarbij zelf zorgvuldig een afweging te blijven maken hierbij betrekkend de wenselijkheid van een optimale openbaarheid en de belangen van de gemeente Bergen op Zoom en haar inwoners. Naar mijn oprechte mening had ik op geen enkele wijze redelijkerwijs kunnen vermoeden dat de aan mij ter hand gestelde dossiers, na mijn beroep op de WOB, nog geheim waren.

Geheimhouding is niet alleen een zaak van opleggen, het is ook een zaak van het zelf hoeden van die geheimhouding door zorgvuldig een inzageverzoek met een beroep op de WOB, te toetsen op artikel 10 van de WOB. In dit kader zou de gemeente Bergen op Zoom en haar ambtenaren ook eens moeten kijken naar haar eigen rol:
– Geen vaststelling van de opgelegde geheimhoudingen door de gemeenteraad zoals artikel 25 lid 3 GW dat voorschrijft.
– Geen, of geen volledige toetsing van dossiers door de daartoe aangewezen ambtenaar.
– Geen, of geen volledige navolging van de afgesproken/voorgeschreven werkwijze.
– Geen tijdige toezending en afstemming van juistheid van een gesprekverslag van 15 juli 2009.
– Geen herroeping of berichtgeving aan de belanghebbende van de ‘afgesproken’ werkwijze.
– En tot slot: een aangifte namens het college van B&W, gedaan door de ambtenaar die direct betrokken was c.q. had moeten zijn (mevrouw Jacobs, namelijk diegene die de dossiers had moeten toetsen op artikel 10 van de WOB, volgens de ook aan haar toegezonden werkwijze, waarover zij door de opsteller de heer Quispel ingevolge zijn schrijven van 17 juli 2009 persoonlijk was geïnformeerd!) (pagina 99/100 van de stukken)
– Mevrouw Jacobs grossiert vervolgens in haar aangifte en vervolg procesverbaal in onterechte c.q. valselijke aannames. De meest opvallenden:
– De nadruk in de aangifte op de vragen 52 en 53 (pagina 05 van de stukken) en de schade die de gemeentelijke onderhandelingspositie zou kunnen ondervinden, terwijl dat gegeven, gezien een pleitnotitie d.d. 6 november 2007 (pagina 123/125 van de stukken) gericht aan de leden van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State al lang bij derden/belanghebbenden bekend was! Niks geen openbaarmaking van een geheim, het was al lang publiekelijk bekend. Moet ik echt geloven dat een gemeentelijk jurist, ook zijnde het afdelingshoofd ruimtelijke ontwikkeling betrokken bij grondzaken, geen kennis heeft/had van de inhoud van toen recente procedures die de gemeente voert/voerde inzake grondzaken?
– Een citaat van mevrouw Jacobs verklaring: “Voor zover mij bekend werd alle informatie aan van der Kallen verstrekt op grond van artikel 169 lid 3 van de gemeentewet” (pagina 4 en 10 van de stukken).
Noch in de “afspraken ter behandeling….”(pagina 34 van de stukken), noch in het griffierverslag van 15 juli 2009 (pagina 33 van de stukken) wordt dit artikel vermeld. De WOB wel! Wat was mevrouw Jacobs werkelijk bekend en hoe was het haar bekend geworden? Ze was niet aanwezig bij het gesprek op 15 juli 2009! Ze is vlak daarna, dus vers van de pers, door de heer Quispel per mail en persoonlijk op de hoogte gebracht over wat er was afgesproken (pagina 99 en 100 van de stukken). Hoe is zij op de gedachte gekomen dat het op basis van artikel 169 lid 3 GW zou zijn en waarom zou de heer Quispel het onjuist hebben als hij direct na het gesprek van 15 juli 2009 zijn interpretatie van de gemaakte afspraken op papier zet en iedere betrokkene dit toestuurt en die betrokkenen, inclusief mevrouw Jacobs persoonlijk informeert? Mijn idee! Mevrouw Jacobs kwam op het idee van artikel 169 lid 3 toen het college, na mijn vragen van 21 september, zich afvroeg: hoe kan het dat van der Kallen al deze informatie heeft gekregen? In de afrekencultuur, die er al was in de gemeente Bergen op Zoom en die versterkt werd na een financiële ramp van tientallen miljoenen, kijk je klaarblijkelijk niet in de spiegel van je eigen functioneren, maar zoek je een zondebok en argumenten die daarbij zouden kunnen passen. Daar komt bij dat, zelfs als artikel 169 lid 3 GW aan de orde zou zijn, het college de gevraagde informatie (dus mevrouw Jacobs als de daarvoor aangewezen ambtenaar) had kunnen weigeren als “verstrekking ervan in strijd is met het openbaar belang.” (aldus artikel 169 lid 3 GW). Omdat de informatie is verstrekt, zou ik ook op basis van dat artikel mogen veronderstellen dat de informatie, gezien het belang van het onderzoek en de transparantie van het openbaar bestuur, openbaar was geworden. Laat onverlet dat ik de informatie heb opgevraagd met een beroep op de WOB.
– Nog een citaat van mevrouw Jacobs: “In de vragenlijst citeert van der Kallen uit de notitie “risicoprofiel Bergse Haven….. als deze notitie aan de gemeenteraad zou zijn voorgelegd dan zou dit als zeer vertrouwelijke informatie ter inzage aan de raad worden voorgelegd” (pagina 10 van de stukken). Op pagina 62 tot 65 van de stukken is dit “risicoprofiel” te vinden. Nergens de vermelding geheim of vertrouwelijk! Hoezo ZEER VERTROUWELIJK??
– Nog een citaat van mevrouw Jacobs; “Ik neem aan dat van der Kallen met de genoemde GROK in vraag 53 de GREX bedoeld.”(pagina 60 van de stukken). Voor mevrouw Jacobs komt dit klaarblijkelijk uit om haar straatje schoon te vegen, maar als ik schrijf GROK bedoel ik de GROK! De GROK is de grondexploitatie en realiseringsovereenkomst tussen de gemeente Bergen op Zoom en de marktpartijen AM Wonen en Amvest! Nergens in mijn vragen heb ik uit een GREX geciteerd!
Voorwaar geen gemeentelijke blik in de spiegel om te pogen objectief naar het eigen handelen te kijken.

Ik constateer dat het OM voor zoete koek de beweringen van de gemeentelijke ambtenaren heeft geslikt en niet kritisch heeft gekeken naar de gebrekkige onderbouwing daarvan.
Ik verkeerde in de gedachte dat het OM aan waarheidsvinding zou doen.
Hoe is het met waarheidsvinding te combineren dat iemand onweersproken kan beweren:
“Voor zover mij bekend werd alle informatie aan de heer van der Kallen verstrekt op grond van artikel 169 lid 3”, terwijl zij niet aanwezig was bij het gesprek waar de afspraken werden gemaakt en binnen 48 uur persoonlijk en per email is geïnformeerd over het bekijken van de stukken in het kader van de WOB?
Hoe is het met waarheidsvinding te combineren dat niet wordt doorgevraagd over artikel 169 lid 3 inzake het gegeven dat de gemeente ook volgens dat artikel informatie kan weigeren op basis van het gemeentelijk belang?
Hoe is het met waarheidsvinding te combineren dat in een gemeentelijke brief wordt verwezen naar een verslag, ter onderbouwing van de gemeentelijke stelling dat ik iets voor zou moeten leggen ter toetsing op geheime/vertrouwelijke stukken, terwijl in het verslag in relatie met het voorleggen uitsluitend wordt gesproken over ‘voor hoor en wederhoor’, en niemand van het OM of namens het OM daarover aan de aangever vragen stelt?
Hoe is het met waarheidsvinding te combineren, als de aangever over een stuk spreekt in termen van ZEER VERTROUWELIJK terwijl toch ook het OM kan constateren dat het stuk daarover niets vermeld en mijn vragen over dat stuk wel worden gebruikt als argument, dat ik de vertrouwelijkheid geschonden zou hebben? Ik ben 9 lange uren ondervraagd en de aangevers mogen van alles beweren zonder dat, als die informatie evident tegenstrijdig is met verifieerbare stukken, die bevraagd werden over hoe ze aan hun opvattingen komen.

De aangifte heeft mij gekrenkt en gekneveld en mij zelfs in mijn persoonlijke levensfeer beperkt.

Mocht het tot een veroordeling komen die ik, zonder een motivatie inhoudende hoe ik wél mijn controlerende taken als raadslid transparant/publiekelijk vorm kan geven, niet zou begrijpen, dan zal ik mijn positie in tal van publieke organen moeten heroverwegen en voel ik mij genoodzaakt afstand te doen van mijn Koninklijke onderscheiding, omdat voor verlening daarvan het vrij zijn van een strafblad een voorwaarde is.

Tot zover.


 

 

Reacties gesloten