PLEITNOTA ZITTING GERECHTSHOF DEN BOSCH 2 OKTOBER 2012

 


PLEITNOTA GERECHTSHOF TE ‘S HERTOGENBOSCH 2 OKTOBER 2012

Geachte leden van het Gerechtshof,

Ik ben mij er van bewust dat tijdens de zitting op 19 juli uw voorzitter mij heeft gewezen op de wenselijkheid mij tijdens dit proces bij te laten staan c.q. te laten vertegenwoordigen door een advocaat/jurist. Geredeneerd vanuit de gedachte dat dit, vanuit een juridisch perspectief gezien, een louter strafrechtelijke zaak is kan ik de wenselijkheid van een dergelijk advies onderschrijven. Maar voor mij is dit proces geen louter strafrechtelijke zaak. Als het dat zou zijn zou ik alleen al om de stress van mij en mijn naasten te vermijden, het vonnis, schuldig zonder straf, hoe onrechtvaardig ook in mijn ogen, van de rechtbank hebben aanvaard. Buiten het feit dat ik mij onschuldig acht is het gegeven, dat hier een raadslid staat die door een politieke aangifte en het vonnis van 12 september 2011 in de uitvoering van zijn functie feitelijk gekneveld wordt, voor mij alle reden om hier zelf mijn verdediging te voeren. Ik heb de overtuiging dat een politicus altijd zelf publiekelijk verantwoording moet afleggen voor zijn daden. Daarom doe ik nu wederom mijn verdediging zelf. Ook in de taal van gewone mensen (niet juristen) moet het mogelijk zijn in ieder geval van de kant van de verdachte in deze zaal het woord te voeren.

Als mens sta ik hier bezwaard van gemoed. Ik had liever gezien dat deze zaak met vrijspraak na de rechtzitting op 29 augustus 2011 zou zijn afgedaan. Dat mocht helaas niet zo wezen.
Voor mij, een mens die zich tot in iedere vezel van zijn lichaam en ziel onschuldig acht, was de uitspraak van de Rechtbank een zeer koude douche en een aantasting van mijn rechtsgevoel en gevoel van rechtvaardigheid. Buiten het feit dat ik mij onschuldig acht heeft het ‘Schuldig zonder straf’ voor mij grote gevolgen. Ik ben reeds jaren actief in het publieke domein waaronder nu nog een achttal Rekenkamercommissies bij even zovele gemeenten.
Als ik ook in hoger beroep veroordeeld zou worden en het vonnis daarmede definitief wordt, zal ik mijn rekenkamercommissiefuncties, als gevolg van het vonnis, direct verliezen.
Veel gemeenten hebben in hun verordening op de rekenkamercommissie het volgende artikel op genomen:
1. Het lidmaatschap van een lid eindigt:
a. op eigen verzoek;
b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de commissie (zie hiervoor artikel 81f van de wet).
c. wanneer het lid bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
d. indien het lid bij onherroepelijk geworden rechtelijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
e. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
Het gevolg van een definitieve veroordeling is dus dat ik automatisch/van rechtswege geen lid meer zal zijn van de rekenkamercommissies, waar ik zitting in heb. Gezien de veroordeling door de Rechtbank en de mogelijke gevolgen van het definitief worden van de veroordeling heb ik reeds bij een zestal gemeenten van een mogelijke herbenoeming afgezien om de eventuele verdere imagoschade te beperken.
Ook mijn DB lidmaatschap bij het Waterschap kan dan op losse schroeven komen te staan.
Mijn conclusie uit het debat over mijn positie, opgeroepen door de opmerkingen van de PvdA fractie in het AB op 14 september 2011, was dat het zeer de vraag zal zijn of ik, als de veroordeling definitief zou worden, nog kan rekenen op de steun van een meerderheid in het AB om aan te blijven als DB lid.

Er zijn ook publieke redenen om dit Hof om een oordeel te vragen. De Officier van Justitie bij de Rechtbank stelde dat de zaak is aangebracht ‘om een grens te trekken en niet om de verdachte te straffen.’ Ik ben van mening indien de Officier van Justitie vervolgt zonder mij te willen straffen, ontbreekt belang en behoort niet-ontvankelijkheid te worden uitgesproken.
Vóór dit vonnis was de grens helder: er werd een geheimhouding opgelegd die bevestigd werd door de gemeenteraad en dan was het voor iedereen duidelijk. Daar had een raadslid zich aan te houden totdat die opgelegde geheimhouding werd opgeheven. Of je deed een beroep op de wet openbaarheid van bestuur (de WOB) en alle stukken die je kreeg waren openbaar!

Die nieuw te trekken ‘grens’ is bepalend voor hoe generaties gemeenteraadsleden hun controlerende taak inhoud kunnen c.q. moeten geven. Door het door mij bestreden vonnis weet niemand meer waar de grens ligt en lijkt de nu getrokken grens voor ieder raadslid anders. Als die grens voor mij en dan mogelijk ook voor andere raadsleden een onduidelijke is of voor de uitoefening van mijn en hun taak een dermate belemmering is dat concreet inhoud geven aan de controlerende opdracht van de wetgever aan het gemeenteraadslid schier onmogelijk wordt gemaakt, of feitelijk een kneveling betekent, dan is het mijn plicht gebruik te maken van mijn recht op beroep om één en ander alsnog verhelderd te krijgen of te voorkomen.
Een tweede publieke reden om dit Hof om een oordeel te vragen is dat de Rechtbank in haar overwegingen en oordeel volkomen voorbij gaat aan het grondrecht vrijheid van meningsuiting en het gegeven dat het uitgangspunt is dat een overheid in haar handelen openbaarheid dient te betrachten (artikel 110 GW: “De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen”). Een grondrecht dat juist bij de uitoefening van een openbaar ambt als gemeenteraadslid van groot belang is. Het is daarom niet verwonderlijk dat de wetgever strikte eisen heeft verbonden aan geheimhouding.
Geheimhouding opgelegd aan een gemeenteraadslid is een ernstige beperking van de uitoefening van zijn ambt en moet dan ook met een hoge mate van zorgvuldigheid en terughoudendheid worden opgelegd c.q. afgedwongen. Ter borging van het grondrecht heeft de wetgever regelen gesteld aan de wijze waarop en de redenen waarvoor de beperking van het grondrecht vrijheids van meningsuiting mag worden toegepast. In de Gemeentewet is daartoe artikel 25 opgenomen. In tegenstelling tot de rechtbank is ondergetekende van mening dat artikel 25 GW wel degelijk toegepast dient te worden wil geheimhouding opgelegd kunnen worden en daarmede de vrijheid van meningsuiting worden beperkt. Naar de mening van ondergetekende verwijst artikel 25 niet alleen naar de gemeenteraad als geheel maar ook naar “leden van de raad”.
Ondergetekende vindt het dan ook onbegrijpelijk dat de rechtbank geheel voorbij is gegaan aan het grote belang van het grondrecht vrijheid van meningsuiting en aan de noodzaak van een zorgvuldige afweging van enerzijds het belang van het controlerende gemeenteraadslid bij de openbare uitoefening van zijn ambt bij dit grondrecht en anderzijds van de plicht van de gemeente Bergen op Zoom en de Rechtbank om zorgvuldigheid te betrachten bij het beperken van voornoemd grondrecht. Het bestreden vonnis en de motivatie van de Rechtbank hebben als gevolg: een ernstige aantasting van de vrijheid van meningsuiting van een gemeenteraadslid. Er zijn door dit bestreden vonnis geen heldere door wet en regelgeving geborgde grenzen meer.
Bijna drie jaar na mijn invulling van de door de wetgever, aan mij als raadslid van de gemeente Bergen op Zoom, opgedragen controlerende taak, door mij inhoud gegeven door het in het openbaar en transparant stellen van (60 plus 2) vragen, met als doel het controleren van het bestuur op de uitoefening/uitvoering van haar taken, sta ik hier om verantwoording af te leggen voor mijn handelen. Ik heb naar mijn gevoelen alle medewerking verleend aan het onderzoek en naar eer en geweten alle vragen, die de onderzoekende politiemedewerkers mij stelden, getracht te beantwoorden.

Grieven ten aanzien van het vonnis van de Rechtbank d.d. 12 september 2011

Ø In het vonnis van de Rechtbank mis ik de opgave van bewijsmiddelen op basis waarvan de rechtbank tot de conclusie komt dat ik (opzettelijk) mijn ambtsgeheim zou hebben geschonden.
Ø Uit het vonnis blijkt uit niets dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat de stukken, waaruit ik delen openbaar heb gemaakt,
– op enige wijze geheimhouding was opgelegd
– de eventuele geheimhouding op enigerwijze op de stukken kenbaar was gemaakt
– de geheimhouding volgens de daarvoor geldende regels (gemeentewet artikel 25) was opgelegd. In het vonnis van de Hoge Raad, 02968/06 d.d. 24 april 2008 schrijft de Hoge Raad onder Wettelijk kader en wetsgeschiedenis 4.2.2: “De geschiedenis van de totstandkoming van art. 25 Gemeentewet houdt – voor zover in cassatie van belang – het volgende in: “Het voorschrift dat van de oplegging van de geheimhoudingsplicht als bedoeld in het tweede lid op de stukken melding moet worden opgemaakt, is opgenomen omdat het van belang is dat het karakter van het stuk van meet af aan duidelijk is.” (Kamerstukken II 1985-1986, 19 403 nr. 3, p. 84).

Beroep Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB
Dit raadslid heeft een lange traditie van het verzoeken tot inzage van dossiers met een beroep op de WOB. Dit is voor mij een gewoonte geworden om er, naar ik dacht, zeker van te zijn dat, als ik naar aanleiding van een dossieronderzoek in het openbaar vragen zou gaan stellen of een standpunt zou gaan in nemen, ik uit alle stukken, die ik in het kader van een beroep op de WOB ingezien had, vrijelijk zou kunnen citeren. Voor mij is dit belangrijk omdat in de afgelopen 25 jaar colleges van burgemeester en wethouders raadsleden steeds vaker bedelven onder geheime/vertrouwelijke informatie en die raadsleden daarmee dan feitelijk in de openbare uitoefening van hun ambt niets kunnen. In de 25 jaar van mijn raadslidmaatschap heb ik, in een maatschappij die steeds meer vraagt om openheid en transparantie, de politiek op gemeentelijk en provinciaal niveau achter de deuren van ‘besloten vergaderen’ zien verdwijnen. Ik heb getracht daar zo min mogelijk aan mee te doen. Zo heb ik al meer dan 20 jaar niet deelgenomen aan de selectiecommissies voor een nieuwe burgemeester.
Toen ik meer dan 25 jaar geleden begon als raadslid was er gemiddeld één besloten raadsvergadering per jaar (om te bepalen wie in aanmerking kwamen voor het ereburgerschap). Nu zijn er jaren bij dat meer dan 10 keer besloten wordt vergaderd.
Dus ook voordat ik het (mondelinge) verzoek tot inzage in de dossiers van de Bergse Haven deed, heb ik geregeld een beroep gedaan op de WOB en inzage gevraagd in gemeentelijke dossiers, voorbeelden van de laatste jaren:
– 28 juni 2006 inzake gebruiksvergunningen
– 23 augustus 2007 inzake aanbestedingen van onderhoud
– 8 januari 2008 inzake onderwijshuisvesting
– 15 maart 2008 inzake aanbesteding werken
– 12 mei 2008 inzake advisering buitengebied.

Dit waren schriftelijke verzoeken, omdat de reden van het verzoek niet lag in een raads- of commissievergadering, maar in een initiatief van buiten.

Naar aanleiding van een gemeentelijke presentatie op 23 juni 2009 heb ik, met een beroep op de WOB, diezelfde avond een mondeling verzoek tot inzage in de dossiers van de Bergse Haven ingediend. De wet WOB stelt immers geen vereisten aan de wijze (mondeling of schriftelijk) van het verzoek. Naar aanleiding van mijn verzoek tot inzage van de dossiers van de Bergse Haven heb ik op 15 juli 2009 een gesprek gehad met de gemeentesecretaris en een aantal ambtenaren met als doel het maken van afspraken inzake het onderzoek.

Op 17 juli 2009 ontving ik een email van de heer Ruud Quispel met een bijlage genaamd: werkwijze, met als kopje: “Afspraken ter behandeling van het verzoek van raadslid L. v/d Kallen tot inzage dossiers Bergse Haven.”, (pagina 99/100).
Ik mocht er zonder meer van uitgaan dat deze email en de daaraan verbonden bijlage de weerslag was van de afspraken die op 15 juli 2009 in het gesprek met mij waren gemaakt.
De heer Quispel was bij dat gesprek immers aanwezig. Alle direct betrokkenen (zijnde de gemeentesecretaris en betrokken ambtenaren) hadden een kopie van deze ‘afspraken’ ontvangen en waren allen volgens de heer Quispel ‘door hem ook persoonlijk geïnformeerd’ (pag. 99).

De verwijzing van de Officier van Justitie in zijn requisitoir (zoals vermeld in het proces verbaal van de zitting van de Rechtbank) op 29 augustus naar het procesverbaal van 10 juni 2010 (pagina 105 van het dossier): “Verdachte zegt zelf dat hij geen WOB verzoek heeft gedaan” is een ultiem voorbeeld van selectief lezen. Op pagina 105 is helder dat ik verklaard heb dat ik geen SCHRIFTELIJK verzoek in het kader van de WOB heb ingediend omdat het reeds mondeling was gebeurd en als gevolg daarvan er schriftelijk de afspraak was vastgelegd dat als punt 2 onder werkwijze is vermeld: “De dossiers worden ter controle voorgelegd aan het aanspreekpunt RO. (Controle: is het dossier compleet en voldoet het aan de eisen van de WOB)”. Het aanspreekpunt RO is in dit stuk aangeduid als mevrouw Caroline Jacobs, een juriste (pagina 100 van het dossier). In tegenstelling tot de bewering in het requisitoir van de Officier van Justitie ben ik in al mijn verklaringen uiterst consequent geweest: ik heb middels een mondeling beroep op de WOB een afspraak gemaakt dat alle stukken die ik ter inzage zou krijgen gecontroleerd zouden zijn in het kader van de WOB, wordt bevestigd in de mail van dhr. Quispel met bijlage (pagina’s 99/100).
Omdat de mail van de heer Quispel van 17 juli 2009 met bijlage niet in de daarna volgende weken is herroepen of aangepast, mocht ik dus veronderstellen dat dit de afspraken waren, zoals gemaakt in de bijeenkomst op 15 juli 2009.
Mocht dit, naar de beleving van de andere gesprekspartners of betrokkenen, niet het geval zijn geweest, dan had het op hun weg gelegen mij te informeren over hun perceptie van de gemaakte afspraken op 15 juli 2009. Ik mocht dus aannemen dat conform de aangegeven werkwijze gehandeld zou worden en dat alle dossiers die ik kreeg getoetst zouden zijn (door mevrouw Jacobs of haar vervanger) op de vereisten van de WOB. Door de vele hiaten in de dossiers (zie ook vele vragen zoals door mij gesteld op 21 september 2009 betreffende ontbrekende stukken (pagina’s 36 t/m 46) heb ik nimmer de indruk gekregen dat geen toetsing aan de WOB heeft plaatsgevonden. Mede door punt 3 van de werkwijze (mutaties in het dossier verwerken) (pagina 100), mocht ik aannemen dat delen van het dossier waren verwijderd in het kader van de controle op de vereisten van de WOB. Mocht bijvoorbeeld mevrouw Jacobs van mening zijn geweest dat die controle niet nodig was of niet behoorde tot haar taak, dan had het mede op haar weg gelegen mij in deze te waarschuwen of te informeren. Van een opzettelijk schenden van mijn ambtsgeheim is dus naar mijn beleving geen sprake!

Pas per brief van 24 september 2009 (dus nà het stellen van mijn vragen op 21 september 2009) werd ik op de hoogte gebracht van een intern verslag van het gesprek op 15 juli 2009 met de gemeentesecretaris. Nimmer is dit verslag aan mij ter commentaar of goedkeuring voorgelegd. Uit de bijlage van de gemeentelijke “aantekeningen tbv aangifte college van schending van de geheimhoudingsplicht van raadslid L. van der Kallen (pag. 55/57) blijkt op pagina 57 dat het een intern verslag betrof, waarvan ik pas op 25 september 2009 kennis heb kunnen nemen.
Ik voel mij tot op de dag van vandaag dan ook niet gebonden aan het daarin gestelde. Wel bevat ook dat verslag de vermelding dat de dossiers gecontroleerd worden op “eventuele geheime stukken (bedrijfsgegevens)”. Voor mij een aanwijzing dat het de bedoeling was geheime stukken te verwijderen. Ik ging en mocht naar mijn mening er dan ook vanuit gaan dat mij uitsluitend stukken en dossiers zouden bereiken die
1) openbaar waren of
2) gezien de aard en aanleiding van het onderzoek (een verlies van 40 à 50 miljoen euro) openbaar waren geworden en
3) gezien de verstreken tijdspanne en daardoor verminderde of verdwenen actualiteit tevens openbaar waren geworden, c.q. niet langer vertrouwelijk waren.
Ondanks mijn vertrouwen erop, dat ik uitsluitend dossiers zou krijgen die in het kader van de WOB ontdaan waren van geheime stukken, ben ik in het stellen van mijn vragen in openbaarheid in deze terughoudend geweest. In geen enkele vraag heb ik geciteerd uit een exploitatieopzet!
Ik heb 2 vragen, in eerste instantie zonder openbaarmaking, gesteld. Ik heb bij het formuleren van mijn vragen proportionaliteit en subsidiariteit betracht. Ik voelde mij absoluut genoodzaakt mijn controlerende taak als raadslid in te vullen. Toen mij echter na enige dagen bleek, dat deze gegevens al lang bij derden/belanghebbenden bekend waren en zelfs door hen ingebracht waren in een procedure bij de Raad van State (200605655/1 uitspraak 23 januari 2008) middels een Pleitnotitie d.d. 6 november 2007 (pagina 123/125) heb ik ook die twee vragen op mijn website geplaatst. De gegevens waren dus al lang in de praktijk openbaar en algemeen bekend en geen reden meer om in deze, bij de uitoefening van mijn publieke taak, terughoudend te zijn. Ook in de uitspraak van de Raad van State, zoals hiervoor genoemd, zijn bedragen genoemd.

In zijn betoog tijdens de zitting op 19 juli 2012 stelde de advocaat-generaal dat ik mijn beroep op de WOB met stukken aannemelijk zou moeten maken. Op basis van mijn met stukken onderbouwde traditie van dossieronderzoeken op basis van een beroep op de WOB (pagina’s 114/122) en op basis van de gemaakte “Afspraken ter behandeling van het verzoek van Raadslid L v/d Kallen tot inzage dossiers Bergse Haven.” (pagina 100) waarin als punt 2 onder werkwijze is vermeld: “De dossiers worden ter controle voorgelegd aan het aanspreekpunt RO. (Controle: is het dossier compleet en voldoet het aan de eisen van de WOB)”, stel ik dat ik meer dan aannemelijk heb gemaakt dat ik inzage kreeg in de dossiers na een beroep op de WOB!

Gezien het voorgaande ben ik van mening dat ik mocht aannemen dat alle mij ter inzage gegeven documenten of dossiers openbaar waren of in het belang van het onderzoek openbaar waren geworden en dat er zeker geen sprake is van het opzettelijk door mij schenden van de geheimhoudingsplicht. Ik heb zelfs, ondanks de door mij vermeende openbaarheid, bij alle mij ter inzage gegeven documenten of dossiers de grootste terughoudendheid betracht om de belangen van de gemeente niet te schaden.

Politieke daad
De aangifte beschouw ik dan ook als een politieke daad met als oogmerk mij als persoon en politicus te schaden, te knevelen en daarmede monddood te maken. Feitelijk heeft dit mij na de aangifte ernstig beperkt in mijn functioneren als raadslid. Ik heb mij, met de kennis dat de gemeente een deel van de dossiers of documenten alsnog als geheim beschouwde zonder mij te informeren welke dossiers of documenten alsnog geheim zouden zijn (ook bij de politieverhoren werd mij niet duidelijk over welke documenten of dossiers dit ging), moeten beperken in mijn politiek functioneren. Ik betreur het dan ook zeer dat de behandeling van deze zaak zo lang op zich heeft laten wachten, omdat feitelijk, zolang er geen helderheid is, de kneveling voortduurt en daarmede de politieke behandeling en openbare verantwoording van betrokkenen deels zijn belemmerd en daarmee ook het leerproces van alle betrokkenen, hoe dit soort zaken te voorkomen, is beperkt.
Ik hoop dan ook dat u leden van het Hof in uw eventuele motivatie van uw vonnis aan kunt geven hoe een raadslid, die zijn controlerende taak serieus neemt, wel zekerheid kan verkrijgen omtrent de openbaarheid van stukken als zelfs met een beroep op de WOB hij niet de zekerheid verkrijgt dat alle stukken die hij dan ter inzage krijgt ook feitelijk openbaar zijn of zijn geworden en hij ze als zodanig ook in het openbaar mag gebruiken.

Dagvaarding
Recent heb ik kennis genomen van de hoger beroep-dagvaarding die gelijk is aan die uit 2011 en het mij ten lasten gelegde. Ik ben dan ook genoodzaakt op de dagvaarding ook nu in te gaan. Ik ben nog steeds verbaasd over de breedte van het ten laste gelegde. De inhoud van de dagvaarding komt op mij over als een schot hagel.
Ik heb vragen gesteld, waarbij ik uitsluitend geciteerd heb uit stukken die mij, na een informatieverzoek met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB), hadden bereikt. Ik heb geen andere bronnen gebruikt dan deze ter beschikking gestelde stukken. De in het dossier gevoegde presentatie en notulen heb ik niet gebruikt bij het formuleren van de vragen, noch heb ik de gebruikte informatie verkregen in besloten bijeenkomsten op welke wijze dan ook openbaargemaakt noch heb ik geciteerd uit GREX (grondexploitaties).

Nu de dagvaarding een breder bereik heeft, zal ik mij allereerst richten op het steeds terugkerende thema in de dagvaarding: ik zou ‘een geheim’ waarvan ik volgens de dagvaarding zou hebben geweten dat het geheim moest blijven, opzettelijk openbaar hebben gemaakt en daarmede de geheimhouding opzettelijk hebben geschonden.

Cruciaal in deze, in vele vormen herhaalde beschuldiging, is dat om een geheim te openbaren er een geheim moet zijn. Ik ben oprecht van mening dat bij de door mij geciteerde documenten ten tijde van het stellen van mijn vragen (21 september 2009) in de zin der wet geen geheime of vertrouwelijke documenten waren.

Het opleggen van geheimhouding is een beperking van een grondwettelijk recht (artikel 7 GW) op de vrijheid van meningsuiting. Ook artikel 10 van het Europees verdrag van de rechten van de mens borgt de vrijheid van meningsuiting en geeft daarbij een limitatieve opsomming van de mogelijkheden tot beperking van die rechten. Het komt er in mijn niet juridische benadering op neer dat, als een overheid de vrijheid van meningsuiting wil beperken, zij moet handelen naar de regels die daar toe gesteld zijn, die mede gericht zijn op het zoveel mogelijk borgen van de persoonlijke vrijheden en rechten van diegenen wiens vrijheden worden beperkt. Die regels zijn middels artikel 25 van de Gemeentewet door de wetgever vormgegeven. Die regelen zijn er om een al te lichtvaardige omgang met een beperking van een grondrecht te voorkomen.
Op grond van een belang zoals vernoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) mag het college van B&W of een commissie geheimhouding opleggen (artikel 25 gemeentewet lid 2). Ik erken dat dit ten aanzien van enkele stukken en enkele vergaderingen is gebeurd. Toen is in het laatste geval aan het einde van een vergadering aangegeven wat uit die vergadering geacht werd geheim te zijn.
Maar in het licht van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, heeft de wetgever in zijn wijsheid ook artikel 25 lid 3 in de Gemeentewet opgenomen: “De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan de raad overlegde stukken vervalt, indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.”
Bij geen der stukken (uit geen enkele vergadering heb ik geciteerd) die ik, als raadslid, heb geciteerd, is ooit een door het college of commissie opgelegde geheimhouding t/m 2009 door de gemeenteraad bekrachtigd!
De motivatie van de wettelijke verplichting tot bekrachtiging is, dat de gemeenteraad dan in het openbaar de noodzaak van de geheimhouding kan toetsen aan de in artikel 10 van de WOB gegeven redenen en dat over de noodzaak dan een openbaar debat heeft plaats kunnen vinden en daarmede geborgd kan worden dat de beperking van het grondrecht niet lichtvaardig plaatsvindt.

Mijn interpretatie van artikel 25 lid 3 Gemeentewet is dan ook dat de eventueel opgelegde geheimhoudingen allen, ten tijde van het stellen van mijn vragen, van rechtswege waren vervallen omdat in geen der gevallen bekrachtiging door de gemeenteraad van de opgelegde geheimhoudingen heeft plaatsgevonden. Kortom: er waren in de zin der wet geen geheimen meer die ik kon openbaren.

Opmerkingen naar aanleiding van de dagvaarding.

– Ik heb in mijn vragen of publicaties niet uit andere bronnen geput dan uit de documenten die mij met een beroep op de WOB ter beschikking zijn gesteld, hetgeen meer dan duidelijk blijkt uit de mail met bijlage van 17 juli 2009 van de heer R. Quispel (pag. 99/100), waarin als punt 2 onder werkwijze is vermeld: “De dossiers worden ter controle voorgelegd aan het aanspreekpunt RO. (Controle: is het dossier compleet en voldoet het aan de eisen van de WOB)”,.
– Niet alles wat in een besloten vergadering wordt gezegd is per definitie vertrouwelijk. Hoewel de afspraak was dat de Rekenkamercommissie, die zich zelf overigens Rekenkamer noemt, uiterlijk op 31 augustus 2009 haar rapportage zou afronden, kwam deze rekenkamercommissie op 21 september 2009 met de mededeling van een verdere vertraging. De redenen hiervoor zouden zijn dat de contactambtenaar van de gemeente ziek was en de commissie bepaalde documenten (de notulen van de aandeelhoudersvergadering) niet kreeg van de GEM (de Gemeentelijk Exploitatiemaatschappij), terwijl die notulen ook beschikbaar zijn in de gemeentelijke archieven van de mede-aandeelhouder (de gemeente Bergen op Zoom). Vanuit deze vergadering komende heb ik mijn vragen gesteld met de politieke motivatie dat deze vertraging met die argumenten voor de BSD-fractie niet langer acceptabel was. Die argumenten zijn, naar mijn gevoelen, op geen enkele wijze te passen in een beroep op geheimhouding, waarvan de basis zou moeten zijn artikel 10 van de WOB. In de dagvaarding wordt verwezen naar de bijeenkomst met de Rekenkamercommissie op 21 september 2009. Te uwer informatie geef ik hierbij als bijlage de gehouden presentatie van die avond. De inhoud van de presentatie ging alleen over de gang van zaken rond het onderzoek, niet over inhoudelijke aspecten de Bergse Haven betreffende. Ik heb, behoudens de argumenten van de rekenkamercommissie de vertraging betreffende, hieruit op geen enkele wijze geciteerd.

– Reeds eerder in mijn betoog heb ik aangegeven dat het intern verslag van 15 juli 2009, dat mij pas op 24 september 2009 werd toegezonden (dus nà het stellen van mijn vragen op 21 september 2009), nimmer aan mij voor commentaar of goedkeuring is voorgelegd en ik voel mij tot op de dag van vandaag daar dan ook niet aan gebonden. Ik wil niet ontkennen dat het voorleggen van concept-bevindingen voor ambtelijke en of bestuurlijke consultatie (alvorens een definitieve nota van bevindingen wordt opgesteld) aan de orde is geweest. Dus in de vorm van een ‘nota van bevindingen’ en voor ‘hoor en wederhoor’, bij onderzoeken de gewoonste zaak van de wereld. Een afspraak in deze is dan ook niet nodig. Voor de duidelijkheid: ‘hoor en wederhoor’ is in de gemeentelijke praktijk dus een consultatieronde op basis van een concept-nota van bevindingen.
Dus een ‘nota van bevindingen’ is volstrekt iets anders dan het stellen van vragen, die juist uiteindelijk moeten leiden tot een ‘nota van bevindingen’.
Een onderzoek kent een aantal fasen, te weten:
– dossieronderzoek
– interviews
– (schriftelijke) vraag- en antwoord ronden
– het maken van een concept ‘nota van bevindingen’
– ambtelijke toetsing van de concept ‘nota van bevindingen’ (hoor en wederhoor)
– opstellen ‘nota van bevindingen’
– bestuurlijke toetsing van de ‘nota van bevindingen’
– formuleren van conclusies en aanbevelingen op basis van de ‘nota van bevindingen’, enz.
Mijn op 21 september 2009 gestelde vragen zijn in de verste verte geen bevindingen. Ze beoogden ooit tot bevindingen te komen. Het vergt de nodige fantasie of ambtelijke schaamte – naar aanleiding van het eigen disfunctioneren – door het nu, achteraf, gebleken gebrek aan een deugdelijke toetsing op de vereisten van artikel 10 van de WOB van de aan mij ter inzage gestelde dossiers, om in mijn vragen bevindingen te willen lezen.
– Zowel de gemeente, in haar brief d.d. 24 september (pagina’s 101/103), als het OM, in de dagvaarding, hebben vermeld dat ik vóór een eventuele publicatie, met het oog op ‘vertrouwelijke of geheime informatie’, zaken zou voorleggen aan de gemeentelijke organisatie, dit met een verwijzing naar het verslag (pagina 33 en 103). Noch de afspraken volgens Quispel, noch het besprekingsverslag van de griffier van 15 juli 2009 vermelden iets dergelijks (pagina 100 en 103). In dat laatste wordt uitsluitend gesproken over het voorleggen voor ‘hoor en wederhoor’! Niets over het voorleggen met het oog op geheime of vertrouwelijke stukken. Logisch toch, die zouden er immers uitgehaald worden! ‘Hoor en wederhoor’ heeft normaliter betrekking op een nota van bevindingen of de conclusies. ‘Hoor en wederhoor’ toepassen op vragen die een raadslid stelt in het kader van een onderzoek naar ambtelijk of bestuurlijk functioneren, komt mij buitengewoon vreemd voor. Aan degenen, die ik geacht wordt te controleren, vragen of de vragen wel goed zijn of gesteld mogen worden, is zeker niet mijn stijl! Dit is zeker niet mijn gewoonte. Het OM of de politie gaat toch ook niet aan een verdachte vragen of zij een vraag wel mogen stellen?Vragen dienen door de te controleren personen of organisatie beantwoord te worden. Niet meer en niet minder.

– Artikel 272 Wetboek van Strafrecht heeft naar mijn mening geen betrekking op gemeenteraadsleden, omdat geheimhouding uitputtend is geregeld in de Gemeentewet. (Zie Memorie van Antwoord d.d. 12 oktober 1966 nr. 8538).
Met interesse heb ik kennis genomen van het in de zitting van 19 juli 2012 door de advocaat-generaal genoemde vonnis van de Hoge Raad LJN; BM2422 van oktober 2010 en van het vonnis van uw Hof LJN: BC8346. Ik constateer dat daarbij in beide rechtzaken door de verdediging niet de vraag naar voren is gebracht of artikel 272 Sr bedoeld is voor gemeenteraadsleden. Zie in deze ook de noot bij ABRvS 3 augustus 2005, LJN: AU0394, zaaknr. 200500067/1 van Prof. Mr. G. Overkleeft-Verburg). Citaat uit deze noot: “Of ook raadsleden geacht kunnen worden aan een ambtsgeheim onderworpen te zijn geldt niet als vaststaand, nu de Hoge Raad zich daar nog niet over heeft uitgesproken”. Die vraag is dan ook met het vonnis van de Hoge Raad van oktober 2010 nog niet beantwoord.

– Tot slot iets over de vermelding in de dagvaarding dat ik afgesproken zou hebben eventuele standpunten vóór publicatie voor te leggen aan de gemeentelijk organisatie.
Een dergelijke afspraak zou ik nooit maken of toezeggen. Iets dergelijks beweren is absurd, lachwekkend en een directe belediging. Ik ben een onafhankelijk raadslid en een ieder die mij kent zal zich terecht niet voor kunnen stellen dat ik, Ludovicus Hermanus van der Kallen, een dergelijke afspraak zou maken of er zelfs maar over na zou denken. Een dergelijke afspraak is ook in strijd met het door de wetgever gewenste en vorm gegeven in het duale karakter van het gemeentebestuur. Een zichzelf respecterend raadslid, en dat claim ik te zijn, zou zo’n afspraak nooit en te nimmer maken. Nu dit wel in de dagvaarding is gekomen, zegt dat eerder iets over diegenen die dit beweren, dan over mij, die als verdachte hier voor u staat.

Resumerend: Ik acht mij onschuldig aan alles wat mij ten laste is gelegd. Ik heb gehandeld binnen de kaders van de door de wetgever aan mij als volksvertegenwoordiger gegeven opdracht tot controle van het openbaar bestuur, zulks met inachtneming van alle voorzorgen die ik als eenvoudig raadslid kan nemen door o.a. een beroep te doen op de WOB en daarover afspraken te maken en daarbij zelf zorgvuldig een afweging te blijven maken hierbij betrekkend de wenselijkheid van een optimale openbaarheid en de belangen van de gemeente Bergen op Zoom en haar inwoners. Van mij kon en mag naar mijn overtuiging niet in redelijkheid verwacht worden dat ik mijn controlerende taak zou verzaken, door de vragen die ik gesteld heb niet te stellen.
Naar mijn oprechte mening had ik op geen enkele wijze redelijkerwijs kunnen vermoeden dat de aan mij ter hand gestelde dossiers, na mijn beroep op de WOB, nog geheim waren. Voor mij is het onbegrijpelijk hoe ik schuldig zou kunnen zijn aan het opzettelijk schenden van een ambtsgeheim als ik mij niet bewust kon zijn van het geheim of vertrouwelijk zijn van stukken die ik met een beroep op de WOB had verkregen en die niet de uiterlijke kenmerken droegen van een eventuele opgelegde geheimhouding.

Geheimhouding is niet alleen een zaak van opleggen, het is ook een zaak van het zelf hoeden van die geheimhouding door zorgvuldig een inzageverzoek met een beroep op de WOB, te toetsen op artikel 10 van de WOB. In dit kader zou de gemeente Bergen op Zoom en haar ambtenaren ook eens moeten kijken naar haar eigen rol:
– Geen vaststelling van de opgelegde geheimhoudingen door de gemeenteraad zoals artikel 25 lid 3 GW dat voorschrijft.
– Geen, of geen volledige toetsing van dossiers door de daartoe aangewezen ambtenaar.
– Geen, of geen volledige navolging van de afgesproken/voorgeschreven werkwijze.
– Geen tijdige toezending en afstemming van juistheid van een gesprekverslag van 15 juli 2009 (werd pas toegezonden op 24 september 2009, na het stellen van mijn vragen op 21 september 2009).
– Geen herroeping of berichtgeving aan de belanghebbende van de ‘afgesproken’ werkwijze.
– En tot slot: een aangifte namens het college van B&W, gedaan door de ambtenaar die direct betrokken was c.q. had moeten zijn (mevrouw Jacobs, namelijk diegene die de dossiers had moeten toetsen op artikel 10 van de WOB, volgens de ook aan haar toegezonden werkwijze, waarover zij door de opsteller de heer Quispel ingevolge zijn schrijven van 17 juli 2009 persoonlijk was geïnformeerd!) (pagina 99/100)
– Mevrouw Jacobs grossiert vervolgens in haar aangifte en vervolg procesverbaal in onterechte c.q. valselijke aannames. De meest opvallende:
• De nadruk in de aangifte op de vragen 52 en 53 (pagina 05) en de schade die de gemeentelijke onderhandelingspositie zou kunnen ondervinden, terwijl dat gegeven, gezien een pleitnotitie d.d. 6 november 2007 (pagina 123/125) gericht aan de leden van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State al lang bij derden/belanghebbenden bekend was! Niks geen openbaarmaking van een geheim, het was al lang publiekelijk bekend. In dit kader verwijs ik naar LJN BC2423, waarin de rechtbank Arnhem oordeelde dat wat eenmaal openbaar is, openbaar blijft. En dus niet geheim of vertrouwelijk is. Moet ik echt geloven dat een gemeentelijk jurist, ook zijnde het afdelingshoofd ruimtelijke ordening betrokken bij grondzaken, geen kennis heeft/had van de inhoud van toen recente procedures die de gemeente voert/voerde inzake grondzaken?
• Een citaat van mevrouw Jacobs’ verklaring: “Voor zover mij bekend werd alle informatie aan van der Kallen verstrekt op grond van artikel 169 lid 3 van de gemeentewet” (pagina 4 en 10). Artikel 169 lid 3 van de gemeentewet luidt: “Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang”. Noch in de “afspraken ter behandeling….”(pagina 34), noch in het griffierverslag van 15 juli 2009 (pagina 33) wordt dit artikel vermeld. De WOB wel! Wat was mevrouw Jacobs werkelijk bekend en hoe was het haar bekend geworden? Ze was niet aanwezig bij het gesprek op 15 juli 2009! Ze is vlak daarna, dus vers van de pers, door de heer Quispel per mail en persoonlijk op de hoogte gebracht over wat er was afgesproken (pagina 99 en 100). Hoe is zij op de gedachte gekomen dat het op basis van artikel 169 lid 3 GW zou zijn en waarom zou de heer Quispel het onjuist hebben als hij direct na het gesprek van 15 juli 2009 zijn interpretatie van de gemaakte afspraken op papier zet en iedere betrokkene dit toestuurt en die betrokkenen, inclusief mevrouw Jacobs persoonlijk informeert? Mijn idee: mevrouw Jacobs kwam op het idee van artikel 169 lid 3 toen het college, na mijn vragen van 21 september, zich afvroeg: hoe kan het dat van der Kallen al deze informatie heeft gekregen? In de afrekencultuur, die er al was in de gemeente Bergen op Zoom en die versterkt werd na een financiële ramp van tientallen miljoenen, (nu opgelopen naar 72 miljoen voor de door mij onderzochte exploitaties Markiezaten en Bergse Haven) kijk je klaarblijkelijk niet in de spiegel van je eigen functioneren, maar zoek je een zondebok en argumenten die daarbij zouden kunnen passen. Daar komt bij dat, zelfs als artikel 169 lid 3 GW aan de orde zou zijn, het college de gevraagde informatie (dus mevrouw Jacobs als de daarvoor aangewezen ambtenaar) had kunnen weigeren als “verstrekking ervan in strijd is met het openbaar belang.” (aldus artikel 169 lid 3 GW). Omdat de informatie is verstrekt, zou ik ook op basis van dat artikel mogen veronderstellen dat de informatie, gezien het belang van het onderzoek en de transparantie van het openbaar bestuur, openbaar was geworden. Laat onverlet dat ik de informatie heb opgevraagd met een beroep op de WOB.
• Nog een citaat van mevrouw Jacobs: “In de vragenlijst citeert van der Kallen uit de notitie “risicoprofiel Bergse Haven….. als deze notitie aan de gemeenteraad zou zijn voorgelegd dan zou dit als zeer vertrouwelijke informatie ter inzage aan de raad worden voorgelegd” (pagina 10). Op pagina 62 tot 65 is dit “risicoprofiel” te vinden. Nergens de vermelding geheim of vertrouwelijk! Hoezo ZEER VERTROUWELIJK??
• Nog een citaat van mevrouw Jacobs; “Ik neem aan dat van der Kallen met de genoemde GROK in vraag 53 de GREX bedoeld.”(pagina 60). Voor mevrouw Jacobs komt dit klaarblijkelijk uit om haar straatje schoon te vegen, maar als ik schrijf GROK bedoel ik de GROK! De opmerking van mevrouw Jacobs is dus misleidend. De GROK is de grondexploitatie en realiseringsovereenkomst tussen de gemeente Bergen op Zoom en de marktpartijen AM Wonen en Amvest! Nergens in mijn vragen heb ik uit een GREX geciteerd!

Voorwaar geen gemeentelijke blik in de spiegel om te pogen objectief naar het eigen handelen te kijken.

Ik constateer dat het OM voor zoete koek de beweringen van de gemeentelijke ambtenaren heeft geslikt en niet kritisch heeft gekeken naar de gebrekkige onderbouwing daarvan.
Ik verkeerde in de gedachte dat het OM aan waarheidsvinding zou doen.
a) Hoe is het met waarheidsvinding te combineren dat iemand onweersproken kan beweren: “Voor zover mij bekend werd alle informatie aan de heer van der Kallen verstrekt op grond van artikel 169 lid 3”, terwijl zij niet aanwezig was bij het gesprek waar de afspraken werden gemaakt en binnen 48 uur persoonlijk en per email is geïnformeerd over het bekijken van de stukken in het kader van de WOB?
b) Hoe is het met waarheidsvinding te combineren dat niet wordt doorgevraagd over artikel 169 lid 3 inzake het gegeven dat de gemeente ook volgens dat artikel informatie kan weigeren op basis van het gemeentelijk belang?
c) Hoe is het met waarheidsvinding te combineren dat in een gemeentelijke brief (pagina’s 101/103) wordt verwezen naar een intern verslag, ter onderbouwing van de gemeentelijke stelling dat ik iets voor zou moeten leggen ter toetsing op geheime/vertrouwelijke stukken (en dit interne verslag mij pas op 25 september 2009 bekend werd), terwijl in dit interne verslag in relatie met het voorleggen uitsluitend wordt gesproken over ‘voor hoor en wederhoor’, en niemand van het OM of namens het OM daarover aan de aangever vragen stelt?
d) Hoe is het met waarheidsvinding te combineren, als de aangever over een stuk spreekt in termen van ZEER VERTROUWELIJK terwijl toch ook het OM kan constateren dat het stuk daarover niets vermeld en mijn vragen over dat stuk wel worden gebruikt als argument, dat ik de vertrouwelijkheid geschonden zou hebben? Ik ben 9 lange uren ondervraagd en de aangevers mogen van alles beweren zonder dat, als die informatie evident tegenstrijdig is met verifieerbare stukken, zij bevraagd werden over hoe ze aan hun opvattingen komen.

De aangifte heeft mij gekrenkt en gekneveld en mij zelfs in mijn persoonlijke levenssfeer beperkt. Ik zou naar mijn opvattingen mijn door de wetgever opgedragen en door de kiezer mogelijk gemaakte taak verzaakt hebben als ik niet gehandeld zou hebben zoals ik heb gehandeld.

Mocht het tot een definitieve veroordeling komen die ik, zonder een motivatie inhoudende hoe ik wél mijn controlerende taken als raadslid transparant/publiekelijk vorm kan geven, niet zou begrijpen, dan zal ik mijn positie in tal van publieke organen moeten heroverwegen en een aantal komen dan van rechtswege zelfs te vervallen, voel ik mij genoodzaakt afstand te doen van mijn Koninklijke onderscheiding, omdat voor verlening daarvan het vrij zijn van een strafblad een voorwaarde is.

Tot zover.


 

 

Reacties gesloten